Woordvoerders: ‘ben je een type Bruls of een type Arne’?

Blog
Insights
Jos Govaart
26-11-2021
Hubertus Maria Franciscus Bruls. Het kan niet anders of je hebt deze man de afgelopen maanden voorbij zien flitsen - niet de beste woordkeuze - op televisie. Deze burgervader én voorzitter van de veiligheidsraad verslaat qua ijdelheid burgemeester Paul Depla van Breda, op enkele luttele punten. Bruls gaat er met de woordvoerders-egotrofee vandoor.
 
Aan de andere kant heb je de Arne-factor. Die moet ik even uitleggen voor de mensen die de voetbalclub Feyenoord niet zo volgen. Er is bij die club best wel eens iets aan de hand. Maar er is één man die tussen dat geweld alles goed doet - volgens Michel van Egmond, en wie ben ik om daaraan te twijfelen? - en dat is Arne Slot, de hoofdtrainer van Feyenoord.
 
Aan de hand van deze twee heren zet ik graag uiteen wat ik onder goed en slecht woordvoerderschap versta. Vanaf vandaag noemen we dat in communicatieland de Bruls-factor (niet zo goed) en de Arne-factor (zo heurt het). En het goede is, je kunt je eigen collega, opdrachtgever en baas aan dezelfde vragen onderwerpen.
Je bereidt je voor op je interview, hoe gaat dat?
A. Je vraagt je communicatieadviseur om een uitgebreide Q&A te maken. Je leest deze vijf minuten voor het interview kort door.
B. Je denkt kort maar goed na over wat je wil vertellen, denkt na over hoe het gesprek zal verlopen en schrijft twee of drie dingen op.

Het interview begint. Wat doe je?
A. Na de eerste vraag zeg je gelijk wat je te zeggen hebt.
B. Je beantwoordt eerst twee vragen en analyseert waar de journalist heen wil en je pakt bij de derde vraag de kans om te bruggen naar jouw punt.

De journalist vraagt je en passant nog even naar de formatie van het nieuw te vormen kabinet.
A. Je geeft aan dat je niet graag op de stoel van de politici zou zitten maar dat het wat makkelijker voor je zou zijn als je alle logica kan volgen. En daar laat je het bij.
B. Je neemt een aantal politieke partijen de maat en zegt daarnaast dat de rol van de media ook niet echt lekker meehelpt.

De journalist stelt een vraag over je visie, hoe geef je antwoord?
A. Je vertelt een verhaal over een recente gebeurtenis.
B. Je vertelt een verhaal vol met feiten en cijfers.

Tegen wie praat je tijdens een interview?
A. Tegen een journalist die mij in een hoek wil duwen. Daarom pak ik het initiatief!
B. Ik praat tegen mensen die nu naar de televisie kijken.
 
1. A = 0 pnt     B = 1 pnt
2. A = 0 pnt     B = 1 pnt
3. A = 1 pnt     B = 0 pnt
4. A = 1 pnt     B = 0 pnt
5. A = 0 pnt     B = 1 pnt
0 - 3 PUNTEN: JE BENT EEN BRULS!
Voorbereiding? Wat is dat voor flauwekul? Mensen willen authentieke leiders voor de camera die er gaan staan in the heat of the moment. Als het moment daar is dan moet je nu eenmaal de regie pakken. Maakt niet uit wat je zegt, als je er maar bent. Een gesprek sturen doe je zelf en niemand anders. Dus waarom zou je een journalist überhaupt de kans geven om een vervolgvraag te stellen?  Zeggen dat je ergens het antwoord niet op weet? Pure zwakte... De mensen willen antwoorden? Dan krijgen ze antwoorden. Een standpunt of een mening is toch maar een dagvers product.
4 - 5 PUNTEN: JE BENT EEN ARNE!
Jij snapt dat je het tijdens een mediaoptreden tegen je bazen, collega’s en stakeholders hebt. De journalisten waar je tegen kletst, willen ook gewoon thuis vertellen dat zij een leuke dag hebben gehad. Jij weet ook dat je die journalisten iets moet geven. Soms een nieuwtje, de andere keer een anekdote met een bepaald inzicht. Of soms een beetje zelfspot. In de beantwoording van je vragen laat je merken dat je feilloos weet wat de agenda is van de journalist door zelf te beginnen over de hete hangijzers. En als jij het ergens niet over wil hebben? Dan zeg je dat gewoon heel ontspannen en relaxed.